april 3, 2021

De moestuin, plaats van verrijzenis


Digitaal naar buiten, stil naar binnen

door Clem Follender 

Pasen

Aansluitend aan de joodse en christelijke verhalen van bevrijding lazen we in de paaswake het gedicht Pasen van Ida Gerhardt. Een gedicht van bevrijding en hoop.

 Ida Gerhardt: uit 'Vijf vuurstenen' 1974) 

Een diep verdriet dat ons is aangedaan
kan soms, na bittere tranen, onverwacht
gelenigd zijn. Ik kwam langs Zalk gegaan,
op Paasmorgen, zéér vroeg nog op de dag.
Waar onderdijks een stukje moestuin lag
met boerse rijtjes primula's verfraaid,
zag ik, zondags getooid, een kindje staan.
Het wees en wees en keek mij stralend aan.
De maartse regen had het 's nachts gedaan:
daar stond zijn doopnaam, in sterkers gezaaid.

Al jaren lees ik zelf iedere pasen dit gedicht. Al sinds 1982, toen ik een bespreking ervan in het Benedictijns tijdschrift las. Door Frans Berkelmans. Graag  wil ik deze uitleg met u delen.  Aangepast, maar met veel van Berkelmans woorden

Het gedicht heeft het Paasmysterie tot onderwerp.

Maar de dichter is niet vertrokken vanuit een bijbels of liturgisch gegeven. De aanleiding tot dit vers is een situatie en ervaring uit het eigen leven.

Het vers beschrijft een ochtendwandeling: ‘Ik kwam langs Zalk gegaan, zeer vroeg nog op de dag’ Zalk is een klein dijkdorpje tussen Kampen en Zwolle. Het ligt aan de westzijde tegen de kronkelende IJsseldijk gevlijd. Wie de schilderachtige dijkroute volgt komt inderdaad ‘langs’ Zalk gegaan.

De dichteres verhaalt van deze wandeling naar aanleiding van een innerlijke ervaring: een diep verdriet dat, na bittere tranen, plotseling gelenigd wordt. En dit was het effect, schrijft zij, van wat haar op deze wandeling overkwam: ‘ik zag een kindje staan’..

Als je het gedicht verder leest, dan zie je, dat het innerlijke gebeuren, waarover het hier gaat religieus beleefd wordt. Als een paaservaring. De dichteres zegt dit niet met evenveel woorden, maar suggereert dit door al of niet opzettelijke verwijzingen naar de joodse en christelijke paasverhalen.

Voor we die successievelijk tegenkomen, is het goed om ons te realiseren wat pasen voor de gelovige betekent. De christen viert met Pasen de gedachtenis aan de opstanding van Christus. Die bevrijding uit de dood van Jezus Messias had al een oudtestamentische context: namelijk de verlossing van het messiaanse volk uit Egypte, het slavenhuis. Een verlossing, die bestemd was voor het hele godsvolk van alle tijden. Zo ook is Jezus opstanding bestemd voor alle gelovigen, voor heel de mensheid.

Daarnaast is de bevrijding niet iets voor na dit leven, na de dood. Want midden in ieders leven kan het, bij dood en pijn, pasen worden.

Terug naar het gedicht. Het is niet moeilijk je in te leven in het ‘; diep verdriet’ waarover de dichter het heeft. Juist verdriet door anderen aangedaan kan iemand blokkeren, verstenen.

Een onverwachte bevrijdende ervaring kan helpen de steen af te wentelen. Zodat het leven  opeens weer opbloeit en je je verdriet kunt relativeren.

Voor de dichter heeft dit opbloeien van nieuw leven met Pasen te maken. Gerhardt laat het bevrijdende gebeuren bewust plaatsvinden op paasmorgen.

Maar er zijn meer associaties met Pasen.

De wandelaar die de kronkelende IJsseldijk komt afgelopen ziet opeens een kindje staan. Verrassend en vertederend, ontwapenend en verkwikkend. En eenvoudig. Net zo eenvoudig als het moestuintje met de primula’s.

Maar helemaal wordt de ik-figuur bevrijd door de opgetogenheid van het kind: De sterkers, de tuinkers is opgekomen. Zoals gezaaid in de vorm van zijn naam.

Sterkers met pasen

Het wonder waar het kind op wijst is de doorbraak van nieuw leven in de natuur. Het is de vrucht van sterven in de aarde onder de zegen van een malse regenbui.

En deze regels doen denken aan psalm 126, de paaspsalm bij uitstek : ‘Zij die zaaien in tranen, zij zullen oogsten met jubel’

En aan de dichtregels doen denken aan het woord van Jezus zelf, waarmee hij het geheim van zijn dood en verheerlijking onthult: ’voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen; maar als hij sterft , brengt hij veel vrucht voort’

Jezus zelf is dus het zaad, dat in zijn sterven ontkiemt tot nieuw leven.

Van het doorstane verdriet, de gestorte tranen is de regen in dit gedicht op zijn beurt weer het beeld. De regen als aanzet voor het doorbreken van herstellend nieuw leven.

De dichter heeft in haar profane belevenis het paasgebeuren dus herkend.

Zij situeert het op paasmorgen, zeer vroeg nog op de dag. Alle vier de paasevangelies berichten over een gebeuren in de nanacht, vóór zonsopgang. Het voltrekt zich altijd onverwacht, zoals ook in dit gedicht.

En van dit onverwachte gebeuren is het kind hier de bode. Zelf is een kind in persoon al beeld van nieuw leven. En dan wijst het ook nog het nieuwe leven, de opgekomen tuinkers, aan.

Zondags getooid, stralend: als een engel uit het paasevangelie.

En in dit licht verschijnt de ik-figuur als een van de hevig bedroefde vrouwen, die in de vroegte op weg gaan naar het graf. Het stukje moestuin is een aandoenlijke verwijzing naar de tuin, waar Maria Magdalena de Verrezene ontmoet. En nu citeer ik Berkelmans letterlijk: ’Zoals het op zijn paasbest uitgedoste boerenkindje stralend de rol van de wijzende engel vertolkt, zo gaat deze met primula’s ( leterlijk eerstelingetjes) opgesmukte moestuin fungeren als de geëigende plaats van de verrijzenis, als de hof die in de bijbel op zijn beurt naar de tuin van Eden verwijst. In dit hier en nu dient zich de situatie aan van het eigenlijke leven, van schepping en herschepping.’ Einde citaat

Pasen. Het is iets van hier en nu, van iedere dag. En het is iets voor iedereen: ‘Een diep verdriet dan ons is aangedaan’ staat er in de eerste regel. Verdriet en leniging van verdriet is voor alle mensen. Zalk en het boerse tuintje vertellen dit. En ze vertellen ook, dat het mysterie van Pasen niet spectaculair, maar in kleinheid en waarachtigheid plaatsvindt.

En dan nog even over de doopnaam in de laatste versregel. In de doop zijn we tot christen geworden. En dat zegt ons: ‘Alleen als wij met Christus het leed dragen, als wij ons met hem laten begraven als zaad, alleen dan zullen wij opstaan tot nieuw leven. Ons verdriet zal dan gelenigd zijn, niet ons bespaard gebleven, we zijn er doorheen gegaan. Het heeft ons dan gesterkt: we zijn erdoor gegroeid, meer onszelf geworden: het heeft onze identiteit bevestigd. We zijn erdoor gedoopt en hebben daar besef van. Anders gezegd: we lezen onze doopnaam zelf uit het leven af.

{"email":"Email address invalid","url":"Website address invalid","required":"Required field missing"}

Mis niets met de Jansbeek Aktueel gratis in je mailbox. 
Elke veertien dagen op de hoogte. 

Schrijf je hier in

misschien ook interessant

februari 18, 2021

februari 12, 2021

januari 18, 2021

>